|
Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap Reageren? Zie home-page
====================================================== |
|
(Israël - volk en land) De staat Israël Nieuw 14/03/2001 - laatste wijziging 08/10/2012
Zie ook de pagina met artikelen van Nonie Darwish, een Arabische publiciste. De hieronder genoemde bijlagen zijn ook vanuit de tekst op te roepen: Inleiding Dit wordt
uiteraard geen uitputtend verhaal, want daarvoor is een webpagina te beperkt.
Voor wie meer wil weten is er een schat aan informatie (zie onderaan). De
aanleiding voor dit artikel zijn de sterk anti-Israëlische en pro-Palestijnse
artikelen in de Nederlandse pers (andere lees ik niet) en het Journaal. De
christelijke pers steekt daarbij niet erg gunstig af, al is er een zekere
terughoudendheid om al te sterk anti-zionistisch te lijken. In het verleden, zeg
maar tot de oliecrisis in 1973/74 is dit geheel anders geweest. Wij waren
pro-Israël totdat onze portemonnee in het geding kwam. Daarna zijn de rollen
geleidelijk aan verwisseld. Dat dit kon gebeuren komt m.i. door de nadruk op de
emotionele kant van de zaak, waardoor wij eenvoudig manipuleerbaar zijn
gebleken. Feiten spelen in de berichtgeving niet de hoofdrol. Zelden horen wij
over de permanent opruiende taal van de groot-moefti van Jeruzalem in zijn
vrijdagse 'preken'. Arafat lijkt in onze ogen een vermoeide, door Parkinson
en Joodse agressie geplaagde strijder voor de vrijheid van zijn onderdrukte
volk. Wij horen alleen de paar toespraken die kennelijk speciaal bestemd zijn
voor de westerse pers. De gewoonlijk ophitsende, opruiende en tot moord en
doodslag oproepende taal van deze terroristenleider past op een of andere manier
niet in ons wereldbeeld, zo lijkt het. Toch is al deze informatie eenvoudig te
bekomen. De websites van Hamas, de Palestijnse Autoriteit en de Hezbollah zijn
door ieder te raadplegen. De sites van Israëls premier en de Israeli Defence
Forces geven eveneens uitgebreide informatie. Voor de christelijke pers komt daarbij nog steeds de kopschuwheid voor
het verschijnsel van de staat Israël überhaupt. Christelijke journalisten gaan
er in meerderheid van uit dat Israël er van hen mag zijn, als het zich
maar netjes en heel precies houdt aan alles wat de Verenigde Naties en de
Europese politiek hen voorschrijven. Een rol voor Israël als volk in het plan
van God voor de komende (eind)tijd is anathema voor hen. Een vloek. En om die
reden mist de berichtgeving over Israël nu juist de essentie. Om die leemte in
onze informatie wat op te vullen, doe ik deze bescheiden poging. Volledigheid
streef ik – zoals gezegd – niet na. Wel hoop ik met het onderstaande enkele
grote lijnen te hebben aangegeven, die ons in staat stellen, wat kritischer met
het ons aangeboden 'nieuws' om te gaan. 5 De stichting van de staat Israël 7 Israëls strijd om het voortbestaan In de Bijbel lezen we van de stille strijd die er is tussen Abrahams eerstgeborene, Ismaël, kind van de slavin Hagar, en de zoon van de belofte, Isaäk (Genesis 16-18, 21). Als Hagar de woestijn in vlucht, spreekt de Engel des Heren haar aan en zegt over haar kind o.a.: “Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven”. Dit is ook wat we zien bij de volken die uit Ismaël voortkwamen,
de Arabieren. Er is onder hen een gezegde dat luidt: “Ik tegen de broeder,
samen met de broeder tegen de volksgenoot, samen met de volksgenoot tegen de
vreemdeling”. In de Koran wordt niet Isaäk, maar Ismaël bijna geofferd
door Abraham. Op de berg Moria, algemeen geïdentificeerd als de huidige
tempelberg. Zo eigent Ismaël zich wederrechtelijk toe wat Isaäk toebehoort. De
Islam, de door Mohammed aan de Arabieren opgedrongen godsdienst, wordt dan ook
vrijwel uitsluitend met geweld en terreur uitgebreid. Niet voor niets staat er in de vlag
van Saudi-Arabië een zwaard. Dat is het zwaard van Islam. De wereld, die van
Allah is, heeft hij bestemd voor de moslims (zij die zich onderwerpen). Elk
gebied dat ooit veroverd is geweest door de Islam (Dar-al-Islam) kan onder geen
enkel beding weer in handen van 'ongelovigen' overgaan. Mocht dat – ten
gevolge van het niet uitoefenen van de godsdienstplichten (jihad o.a.) –
onverhoopt toch het geval zijn, dan bestaat de heilige plicht, dat gebied met
alle denkbare middelen weer terug onder het beslag van Allah te brengen. Alles
is geoorloofd: alle vormen van misleiding, leugen en bedrog, moord en doodslag,
terrorisme, sabotage, verraad, huichelarij, oorlog op alle niveaus en met alle middelen.
Dit is de situatie waarvoor Israël zich geplaatst ziet. 'Palestina'
is geruime tijd Dar-al-Islam geweest. Nooit zal één moslim op aarde mogen tolereren dat Israël ook maar een vierkante meter van dit gebied in bezit
heeft. Op de tempelberg, de plaats waar de eerste en de tweede Joodse tempel
hebben gestaan, staan nu de Al Aqsa moskee en de Koepel van de Rots, een islamitisch heiligdom. Er is
een heel misleidingsproces gaande om de wereld ervan te overtuigen, dat hier
NOOIT een Joods heiligdom heeft gestaan. Alle archeologische bewijzen daarvan
worden thans van onder de tempelberg weggegraven en als puin in het Kidrondal
gekiept. De totale ontkenning van het heiligste in het Jodendom. Op de buitenkant van
die Koepel van de Rots
staat de tekst: "GOD HEEFT GEEN ZOON". De totale ontkenning van wat de
grond van het christelijk geloof is. En dan zijn er mensen die beweren, dat Joden, christenen en moslims de
zelfde God dienen!!! Waar ter wereld ook Joden woonden, overal werden zij hoogstens als
tweederangs burgers behandeld. In het kerkelijke Europa wekte het feit dat Joden
nog steeds als zodanig zichtbaar bleven en hun identiteit behielden, nauw
verholen wrevel. En er moest niet veel gebeuren of de volgende pogrom
(jodenvervolging) brak uit. Zelfs Luther – die aanvankelijk hoopte dat de
Joden tot het christendom zouden overgaan, nu het door de reformatie was
gezuiverd – verwoordde zijn teleurstelling in zijn geschrift “Von den Juden
und ihren Lügen” waarin hij o.a. opriep om synagogen in brand te steken. In
Oost-Europa was alles veel erger dan in het westen. Toch ontstond juist hier in
het westen in de 19e eeuw een sterke beweging om als Joden
onzichtbaar te worden in de Europese samenleving, om te “assimileren”. Vele
Joden lieten zich dopen en werden – veelal nominaal – christen. Voorbeelden
zijn de familie Mendelssohn (-Bartholdy) en de ouders van Karl Marx. Maar dat
deed niet verdwijnen het algehele wantrouwen tegen de Joden. Verhalen over
geheime macht en financiële en politieke manipulaties achter de schermen bleven
in Europa, zelfs in toenemende mate, de ronde doen. Vanwege het verbod om lid te
worden van de gilden, hadden vele Joodse families zich bekwaamd in de geld- en
andere handel. Je kon daar in dit soort verhalen dus altijd wel naar verwijzen.
Maar de toonzetting ervan werd venijniger. Het toppunt was wel de publikatie van
een antisemitisch geschrift: “Protocollen van de Wijzen van Sion”, (zie
pagina Antisemitisme) waarin
werd beweerd dat de Joden overal samenzweringen hadden om de hele wereld in hun
macht te krijgen. Dit geschrift heeft een grote rol gespeeld in de periode rond
de wereldoorlogen en is thans nog het belangrijkste 'bewijs' van de
islamitische terreurorganisatie Hamas tegen het 'Joodse imperialisme'. Het westerse wantrouwen tegen de Joden werd
zichtbaar in het proces tegen de Franse kapitein van Joodse afkomst Alfred
Dreyfus (1894-1906). De Oostenrijkse journalist Theodor Herzl versloeg het
proces in 1894 voor zijn krant, de Neue Freie Presse. Het bracht hem tot
de overtuiging dat er voor de Joden maar één ding opzat om zich te kunnen
verdedigen, nl. een eigen staat. In 1896 schreef hij de brochure Der
Judenstaat en zei: Vandaag heb ik de Joodse staat opgericht. Over 5 jaar of
over 50 jaar zal iedereen deze staat erkennen. Het duurde 52 jaar. Overigens
dacht Herzl nog niet direct aan het gebied 'Palestina', ook een land als
Oeganda was voor hem niet direct verkeerd. Overal in de wereld wensten Joden elkaar bij
Pesach toe “Volgend jaar in Jeruzalem!” Altijd bleef de hoop op de
terugkeer levend. In de 19e eeuw kwamen vanuit Europa emigraties van
Joden op gang, die de pogroms ontvluchtten. Zionistische groepen stimuleerden
overal de terugkeer (aliyah, opgang) naar Israël. Weinigen gingen echter naar
het toenmalige 'Palestina', de weinige Joden daar leidden een kommervol
bestaan en werden veelal in leven gehouden door giften van rijke Joden in het
westen. Het gebied 'Palestina' was toentertijd zeer dun bevolkt. Er was een bevolkings-concentratie in Jeruzalem, verder in nog enkele kleinere plaatsen als Hebron, Bethlehem, Nablus en Nazareth en langs de kust. Verspreid door het gebied lagen Arabische dorpen, waar armoede troef was. Grote delen van het land lagen braak, niemand bekommerde er zich blijkbaar om. Mark Twain, die het land in 1867 bezoekt, schrijft: “Een verlaten land, de bodem is rijk genoeg maar is overgelaten aan het onkruid – een stille, treurige uitgestrektheid… Een ontvolkt land… Nergens zagen we een menselijk wezen op de hele route… nauwelijks ergens een boom of struik. Zelfs de olijfboom en de cactus, trouwe vrienden van een waardeloze bodem, hadden het land vrijwel verlaten”. Maar hij was beslist niet de enige. Vele andere reizigers
schreven soortgelijke verslagen. Foto’s van het tempelplein in Jeruzalem uit 1875 tonen een verwaarloosd gebied, plaveisel onregelmatig en kapot, onkruid halve meter hoog. Veel grond
in het land was verlaten en kennelijk niemandsland. De Turken hadden geen up-to-date
bevolkingsadministratie en ook registratie van eigendommen was slecht of niet
geregeld. Je kunt rustig zeggen dat de Arabische en/of islamitische wereld geen
enkele, maar dan ook geen enkele belangstelling hadden voor dit stukje van God
verlaten grond. Het land was dus grotendeels onbewoond. En van een 'Palestijns'
volk had nog nooit iemand gehoord. De huidige retoriek slaat dus echt nergens
op. Dat was de situatie in de tweede helft van de 19e eeuw. Daar gaat echter verandering in komen. In 1880 komt een grote (eerste)
aliyah op gang. De Joden van deze aliyah kopen grond (meestal van de beroerdste
kwaliteit) van Arabische effendi’s. Of deze grond hen ook werkelijk
toebehoorde, was niet aan te tonen, maar de Joden betalen sowieso. Zij slagen er
in, die door hard werken en ondanks veel ontberingen en ziekten tot
vruchtbaarheid te brengen. De gemeenschapsvorm is meestal de kibboets, een
streng type collectieve boerderij, sterk self-supporting. Met de Arabische
mensen in de dorpen is veelal een goede verstandhouding, maar de effendi’s en
andere machthebbers zien met lede ogen aan dat hun indolente bevolking eisen
begint te stellen: wat de Joden kunnen, dat kunnen wij toch ook! Nu de Joden
belangstelling tonen voor het land, ontwaakt ook de Arabische interesse. Niet
eerder!
In 1905 komt de tweede aliyah op gang, gestimuleerd door enorme pogroms
in Oost-Europa. De kibboets-beweging ontvangt nieuwe impulsen. Ten koste van
veel mensenlevens (malaria) worden de Hula-moerassen drooggelegd en in cultuur
gebracht. De vijandigheid van de Arabische en islamitische machthebbers neemt
toe evenredig met het succes van de Joden. Daarbij spelen ook jaloersheid en
wellicht schuldgevoelens een grote rol (waarom kunnen die Joden met dat land
succes hebben, en wij niet!). In plaats van met de Joden samen te werken en zo
het land tot bloei te brengen, vindt er toenemende tegenwerking plaats. Veel
Joden komen om bij Arabische overvallen en plundertochten. De gettomentaliteit
(wegschuilen en hopen dat het over gaat) kost vele mensenlevens. De emigratie van Joden naar Israël gaat gestadig door. Meer nieuwe
kibboetsim worden gevestigd, en ook van een ander, minder streng collectief
type, de moshav, worden er verscheidene gevestigd. Deze vestiging gebeurt in het
hele gebied ten westen van de Jordaan, waar de Joden ook maar grond konden
kopen. En het Joodse geld werd grif geaccepteerd! Het land begint op te
bloeien. Waar meer dan 1500 jaar alleen maar woestijnachtig gebied was, beginnen
groene landschappen te ontstaan. De Joden planten bomen of hun leven ervan
afhangt. Ook zorgen zij voor drinkwater, goed onderwijs en gezondheidszorg. Nu begint ook de
immigratie van Arabieren uit de omringende en verder verwijderde islamitische landen op gang te komen.
Een 'volk van de Palestijnen' heeft nooit bestaan. Er schijnt
in 'Palestina' goed te leven te zijn. Maar anders dan de Joden hebben de
Arabieren geen affiniteit met het land, het is nooit 'hun eigen land' geweest. Is het jaloersheid,
minderwaardigheidsgevoel, zelf-haat, spijt om het rijke, maar verloren verleden?
Hoe het ook zij, evenredig
met het succes van de Joden stijgt ook de haat van de Arabieren, aangewakkerd door hun leiders. In de eerste wereldoorlog (WO I) vechten vele 'Palestijnse' Joden aan de kant van de geallieerden. Het Turkse rijk stort ineen. Op 2 november 1917 verklaart de Britse minister van Buitenlandse Zaken, A.J. Balfour, tegenover de Joodse weldoener, Lord Rothschild, dat de Engelse regering streeft naar “...de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het joodse volk en alles in het werk zal stellen teneinde het bereiken van dit doel te bevorderen, waarbij wel moet worden begrepen dat niets zal worden gedaan dat een inbreuk zou maken op de burgerlijke en godsdienstige rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina, of op de rechten en de politieke status die de joden in enig ander land genieten”. Nu zouden Frankrijk en
Groot-Brittannië na WO I door de Volkenbond belast worden met het beheer over
de gebieden buiten Turkije, die tot het Turkse rijk hadden behoord (Frankrijk
het huidige Syrië en Libanon, Groot-Brittannië Irak, het gebied 'Palestina' inclusief de Golan en het overjordaanse (zie
kaart 1)).
Hoe komt nu zo’n
Britse minister tot een dergelijke verklaring? Want die mag toch op zijn minst
opmerkelijk heten. En misschien ook wel een beetje naïef, nietwaar? Hoe kun je
nu een land beloven (a) dat je niet in bezit hebt en (b) waar al andere mensen
wonen. De achtergrond is een al lang in Engeland bestaande overtuiging onder
christenen dat in hun tijd de door God beloofde terugkeer van de Joden naar het
land van hun vaderen er aan zat te komen. En omdat in 1917 al waarschijnlijk
was, dat Engeland na WO I het mandaat over dat gebied zou verkrijgen, liep
minister Balfour vast daarop vooruit. Na WO I kreeg Groot-Brittannië
inderdaad het mandaat over de al genoemde gebieden.
In de mandaatsopdracht was aangegeven dat de Balfour-declaratie moest worden
uitgevoerd. Aan de Volkenbond was men verantwoording verschuldigd. Maar die
instantie stelde niet veel voor, en de beherende landen gingen er min of meer
hun eigen gang. Er moesten medestrijders worden beloond. Omdat aan de Saudische
familie het koningschap over Arabië was beloofd, moesten de Hasjimitische
heersers, die langs de westkant van Arabië hun rijk hadden en over de
islamitische heilige steden Mekka en Medina regeerden, elders aan werk
worden geholpen. Een zoon van de vorst, Faisal, die met Lawrence of Arabia tegen
de Turken had gevochten, werd eerst in 1918 tegen de zin van de Fransen heerser
in Syrië. In 1920 werd hij door de Fransen verjaagd, de Britten boden hem Irak
aan. In 1921 scheidden de Britten het gehele gebied ten oosten van de
Jordaan af en gaven dat aan de Hasjimitische sheik Abdullah (de vader van
ex-koning Hussein, en broer van de eerdergenoemde Faisal). Meer dan 2/3 van het
aan de Joden beloofde gebied was nu verdwenen. In 1923 gaven de Britten de
Golan aan Syrië, om redenen door mij niet achterhaald (zie
kaart 2). Maar de Golan behoorde dus tot het aan de Joden beloofde gebied.
Minder dan 30% van het oorspronkelijke gebied was nu nog beschikbaar om Lord
Balfours belofte in te lossen. In Leon Uris’ boek 'Exodus' merkt iemand op: “Alleen het Koninkrijk Gods loopt op gerechtigheid, de koninkrijken der aarde lopen op olie”. Omdat het
belang van de olie in het midden-oosten steeds zwaarder begon te wegen, wilden
de Britten de Arabieren zoveel mogelijk ter wille zijn. En die hadden als eis:
geen immigratie van Joden meer in 'Palestina'. De praktijk was die van
toenemende Britse weerstand tegen immigratie en even toenemende Joodse
vindingrijkheid om toch Israël binnen te komen. Een Britse officier (de
excentrieke Orde Charles
Wingate, ook bekend onder zijn alias, P.P.
Malcolm) leerde de Joden terug te vechten, niet af te wachten, maar het
initiatief te nemen.Vanaf toen liet men zich niet meer door Arabische bendes
overrompelen, maar ging er zelf op af. Het aantal vermoorde Joden daalde
drastisch. In 1920 werd de Haganah opgericht, een niet-erkende Joodse militaire
organisatie, die de zelfverdediging van de Joden in 'Palestina' ter hand nam,
omdat de Britten niet geneigd waren veel te doen, dat de Arabieren tegen hen zou
innemen (olie!!). Tot hun eer moet gezegd worden, dat de Britten wel veel hebben
gedaan om de infrastructuur te verbeteren, onderwijs te bevorderen en een
geregeld overheidsapparaat op te zetten. In de tijd tussen de wereldoorlogen
neemt ook de rol van de Islam in de haat tegen de Joden toe. Naarmate de tijd
vordert, nemen de tegenstellingen toe. De Arabieren wensen onder geen beding een
Joodse staat in 'Palestina', de Joden nemen met minder geen genoegen en de
Britten schipperen tussen beide met een voorkeur voor de Arabische standpunten
(olie). In WO II vechten weer vele
'Palestijnse' Joden in de geallieerde legers.
Hitler vergast en cremeert o.a. 6 miljoen Joden. De groot-moefti van Jeruzalem,
Haj Aman al-Husseini, bespreekt met Hitler zijn plan om de Joden overal ter
wereld uit te roeien. Hij zal er in ieder geval in 'Palestina' voor zorgen.
Dit is zelfs Hitler te gortig. Hij laat wel de SS Arabische guerillla’s
trainen in het
vermoorden van Joden. 5 De stichting van de staat Israël Na WO II trachten de uit de Nazi-kampen
overlevende Joden 'Palestina' binnen
te komen, dat door de Britten hermetisch is afgegrendeld. Vele Joden verliezen
bij deze pogingen het leven. Bekend is geworden het schip 'Exodus'. De
opvarenden zijn met Britse oorlogsschepen teruggebracht naar Toulon in
Zuid-Frankrijk. Toen zij weerspannig bleven, hebben de Britten deze
KZ-overlevenden teruggebracht naar nazi-vernietigingskampen
in Noord-Duitsland. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. De hele
wereld kwam nu in oppositie tegen de Britten. Die moesten deze mensen naar Israël
brengen. Wat weer Arabische terreur uitlokte. Hoewel er officieel geen wapens
het gebied binnen mochten, werd levering aan de Arabieren oogluikend toegestaan.
De Joden moesten allerlei illegale middelen verzinnen om aan wapens te komen,
omdat zij nog geen erkende staat hadden, waaraan legaal wapens geleverd mochten
worden. Ondanks vele staaltjes van creativiteit en grote durf lukte het maar
zeer ten dele om Israël van wapens te voorzien. Er was nu geen houden meer aan. De Britten
werden nu door Joden en Arabieren gelijkelijk bestookt. En die hadden er genoeg
van. Zij gaven aan, het mandaat over het gebied 'Palestina' te willen beëindigen. Een speciale commissie van de UNO stelde een plan op tot verdeling van
het gebied in een Joods en een Arabisch deel (kaart
3). Op 29-11-1947 werd dit plan door de UNO goedgekeurd en door de Joodse
autoriteiten met grote aarzeling geaccepteerd. De Arabische Liga verwierp het
plan, zoals zij elk plan heeft verworpen, dat Joden een rechtmatige plaats in
het land wil geven. Als je op de kaart kijkt, zie het onmogelijke van deze
verdeling. Elk van de partijen heeft drie stukjes die op twee plaatsen elkaar
raken. Niemand kan uit gebied A naar B of uit B naar C zonder tenminste één
stap op het grondgebied van de andere partij te zetten. Voor Jeruzalem was een
aparte regeling bedacht. Dat zou onder UNO-bestuur komen. De enclave Jeruzalem
omvatte zo’n 100.000 Joden en 65.000 Arabieren. Op eis van de Arabische Liga
werd dit gebied vergroot totdat de Arabische bevolkingsgroep de meerderheid had
(kaart 4). Maar het UNO-beheer is een vod
papier gebleken. Israël had echter niets te verliezen, dus… De Britten
kondigden aan, op 15-5-1948 te verdwijnen uit het gebied. Er vond geen
overdracht van souvereiniteit plaats, er ontstond dus een vacuum. Wel
bevoordeelden de Britten de Arabieren voor wat betreft wapens en strategische
posities. Als dan ook van 14 op 15 mei 1948 David Ben-Goerion de Joodse staat
Israël uitroept, zijn de vooruitzichten in alle opzichten belabberd. Direct op
15 mei vallen de legers van Irak, Syrië, Jordanië en Egypte de jonge staat
binnen. Jordanië bezet Jeruzalem direct na het uitroepen van de Joodse staat.
Israël vecht voor zijn leven! En het wonder gebeurt: de slecht bewapende Israëli’s,
numeriek slechts een fractie van de binnenvallende vijand, behalen de
overwinning, zij het na vele bange ogenblikken, en een groot aantal slachtoffers
(6.000 doden, 15.000 gewonden).
Het Jordaanse leger hield beestachtig huis in Jeruzalem: alle Joden
werden verdreven, synagoges gesloopt en vernield, en de hele Joodse wijk met de
grond gelijk gemaakt. Joodse strijdkrachten slaagden er niet in om Jeruzalem
tijdig te bereiken, mede ten gevolge van het strategische fort Latrun, dat op
het laatste moment door de Britten aan de Arabieren was overgedragen. Aan Joden
werd de toegang tot hun heilige plaatsen ontzegd. Nog een probleem ontstond: de in Israël wonende Arabieren werden vanuit
de omringende landen gesommeerd, Israël te verlaten, zodat de Arabische legers
in korte tijd Israël de zee konden indrijven. Daarna konden ze weer
terugkeren. Wie niet ging, werd met de dood bedreigd. Verscheidene 'Palestijnse'
Arabieren zijn zo vermoord. Velen verlieten huis en haard en gingen naar de
omringende landen (Egypte, Libanon, Jordanië, Syrië). Maar ook ten gevolge van
de vijandelijkheden, waarbij van beide zijden wreedheden zijn begaan, vluchtten
velen weg. Het betreft in totaal rond 360.000 'Palestijnse' Arabieren. Zij werden
opgevangen in kampen en verblijven daar heden nog. Later
worden er door de UNWRA, die speciaal voor de 'Palestijnse' vluchtelingen wordt
opgericht, 400.000 aan toegevoegd, die weliswaar nog op hun eigen plaats woonden
maar door de UNWRA als hulpbehoevend werden geclasseerd, zodat hun aantal op
ruim 750.000 komt. Echter nauwelijks bekend is,
dat ten gevolge van de strijd ook rond 950.000 Joden werden gedwongen huis en haard
in Arabische landen te verlaten met achterlaten van al hun bezittingen. Zij
vluchtten naar Israël, waar zij geruisloos in de bevolking zijn opgenomen, en
sindsdien een positieve bijdrage leveren aan de staat Israël. Het
vluchtelingenprobleem is dus tweezijdig, waarbij Israël het heeft opgelost en
de Arabische wereld nog steeds deze massa’s als pressiemiddel gebruikt om Israël
het leven zuur te maken.
7 Israëls strijd om
het voortbestaan Na de vrijheidsoorlog zagen de demarcatielijnen er heel anders uit dan de grenzen op het verdelingsplan (kaart 5). Hoewel de ommuurde stad van Jeruzalem (en dus de westelijke tempelmuur) buiten Joods bereik bleef, kwam west-Jeruzalem - tot aan de Jaffa-poort - nu onder Israëlisch beheer. Jordanië hield de 'Westbank' plus Oost-Jeruzalem bezet en Egypte bezette de strook rond de stad Gaza. Onder Jordaans gezag zijn alle Joodse vestigingen in de zgn. 'Westbank' geëlimineerd. In die periode heeft geen enkel Arabisch land pogingen ondernomen om in de door Jordanië en Egypte bezette gebieden een 'Palestijnse' staat te creëren. Zij hadden er toen alle kans toe. Maar kennelijk was er toen geen behoefte aan, hoewel het vluchtelingenprobleem sindsdien niet veranderd is. De Jordaanse koning Abdullah wilde immers de bezette 'Westbank' bij zijn eigen staat voegen. Het geklier over een 'Palestijnse' staat begon pas toen Israël het beheer over deze gebieden kreeg. Vanuit de Gaza-strook pleegden Arabische terroristen (fedayien) regelmatig aanvallen op Israël en veroorzaakten soms grote schade, o.a. aan waterpijpleidingen (zie kaart 6). De Arabische legers waren wel verslagen maar men legde zich daar niet bij neer. In 1956 sloot de Egyptenaar Gamal Abdel Nasser het Suez-kanaal voor Israëlische schepen. Vanaf eilandjes in de Rode Zee bestookte men deze schepen. Dit betekende effectief een blokkade van de haven van Eilat. Vervolgens nationaliseerde Nasser het kanaal. Egyptes met behulp van de USSR opgebouwde sterke legermacht stond gereed Israël aan te vallen. De hele Sinaï-woestijn was omgebouwd tot één groot militair gebied. En terwijl de wereld afwachtte, greep Israël in. Met een snelle veldtocht dwong het Egypte op de knieën en maakte een eind aan de aanvallen van de fedayien. De hele wereld haalde opgelucht adem en veroordeelde - uiteraard - Israël vervolgens. Israël trok zich terug uit de Sinaï, dat gedemilitariseerd werd, en de UNO stationeerde een vredesmacht in de Gaza-strook. Nasser had niets geleerd en bouwde opnieuw het hele theater op voor de volgende klap op Israël. Ook Syrië, Jordanië en Irak bouwden een indrukwekkende militaire macht op, met maar één doel: Israël vernietigen. Egypte wees de UNO-vredesmacht in de Gaza-strook uit. Dit alles beloofde niet veel goeds. Israël besloot, de definitieve vernietiging niet af te wachten, maar als eerste toe te slaan. Op 5 juni 1967 vernietigde het 70% van de vijandelijke luchtmacht en vliegvelden. In enkele dagen stootten de Israëlische troepen door tot het Suez-kanaal, waar een wapenstilstand werd overeengekomen. Jordanië mengde zich in de oorlog en werd in twee dagen verdreven uit Judea, Samaria en Jeruzalem. Het Jordaanse leger deserteerde massaal. In het noorden werd na enkele dagen begonnen met acties tegen Syrië, waarbij na heftige strijd het grootste deel van de Golan werd veroverd. Syrië had via de Golan toegang tot de bronnen van de Jordaan en was bezig deze - en vele beken die naar het Meer van Galilea stroomden - om te leiden naar de Yarmoek, die deels over Syrisch gebied loopt. Zo kon het naar believen Israël 'droogleggen'. Bovendien werden vanaf de Golan de daaronder liggende kibboetzim aan het meer onder vuur gehouden, zodat daar alleen 's nachts gewerkt kon worden, terwijl de dag in de schuilkelders werd doorgebracht. Het leger wilde naar Damascus marcheren, maar werd door de regering gesommeerd te stoppen. Op 10 juni om 18:00 uur werd een algemene wapenstilstand afgekondigd. Jeruzalem was bevrijd, de opbouw van de Joodse wijk, die totaal verwoest was, kon beginnen. Alle heilige plaatsen werden weer opengesteld voor de belijders van de diverse godsdiensten. De komende jaren zien we een toenemend terrorisme, incidentele militaire speldeprik-acties vanuit de omringende staten, en infiltraties over de demarcatielijnen. In 1968 wordt El-Fatah opgericht onder leiding van Jassir Arafat. Deze Egyptenaar - zijn echte naam is Rahman Abdul Rauf Arafat al-Qudwa al-Husseini, een neef van de eerder genoemde illustere groot-moefti van Jeruzalem - die een aannemersbedrijf runde in Koeweit, komt nu aan het hoofd te staan van deze terreurorganisatie. Hun activiteiten concentreren zich langs de Jordaanse grens en worden gesteund door het Jordaanse leger. Dit keert zich echter in september 1970 (Black September) tegen hen omdat er een serieuze bedreiging van uit gaat voor het koningschap van de Hasjimieten, en verwijdert hen uit Jordanië. Dat stabiliseert de oostgrens, maar het wordt de ondergang van Libanon, waar Arafat met zijn El-Fatah nu heen gaat. Later bemoeit Israël zich met Libanon, om de terreuraanslagen van die kant in te tomen. Op 6 oktober 1973, Yom Kippur, grote verzoendag, als van het Israëlische leger alleen de vaste kern dienst doet, lanceren Syrië en Egypte een massale aanval op Israël. Voordat het gehele leger gemobiliseerd is, is in het noorden al de hele Golan, de Israëlische informatiepost op de Hermon en half Galilea door de Syriërs veroverd. Egypte steekt het Suez-kanaal over en valt het Israëlische leger massaal aan. De aanval in het noorden werd tot staan gebracht en op 14 oktober zijn de Syriërs terug in hun hok. De hele hoogvlakte van Golan wordt nu bezet. Daarna wordt de strijd aangebonden met Egypte. Een eerste offensief mislukt, maar de tweede slag is voor Israël. De Sinaï wordt opnieuw bezet en generaal Ariel Sharon steekt het Suez-knaal over. De opmars naar Cairo wordt hem door de regering verboden. Na harde strijd wordt het pleit in Israëls voordeel beslecht. Op het nippertje! Over de andere militaire activiteiten wil ik verder niet schrijven. Wie daarover meer wil weten kan terecht bij de Internet-site van de Israëli Defence Forces en diverse encyclopedieën. Tot slot nog dit: om enig begrip te krijgen van de positie waarin Israël zich te midden van de vijandige Arabische en islamitische naties bevindt, is het goed om het volgende te bedenken: Beseffen wij toch wel, wat een lilliput-landje Israël eigenlijk is in de omringende vijandige Arabisch/islamitische wereld. * Het is omringd door 24 Arabische naties, die... * ...600 x de land-oppervlakte hebben, * ... 50 x de bevolkingsgrootte hebben, en * ...allemaal olievoorraden bezitten Israël past 768 x in de USA! De USA, met twee bevriende naties noord en zuid, en twee oceanen oost en west, kunnen zich moeilijk voorstellen in welke positie Israël zich eigenlijk bevindt. Kunnen wij het? Naarmate een nieuwe generatie het roer overnam en zijn invloed deed gelden, en de welstand van de bevolking toenam, werd het verlangen groter om eindelijk eens in vrede te leven, zonder regelmatig opduikende oorlogen, zonder terreuraanslagen. De koude vrede met Egypte en Jordanië gaf Israël wat militaire armslag. Maar Israël is verdeeld over de te volgen koers. De door het Jordaanse leger vernietigde Joodse vestigingen op de zgn. 'Westbank' worden herbouwd. Dat is m.i. juist en rechtvaardig. Maar een militante orthodoxe stroming, de Goesj Emonim, sticht vele nieuwe dorpen en kleine steden in de gebieden Judea en Samaria, met als rechtvaardiging dat deze gebieden behoren tot het door God aan Israël beloofde land. Omdat de opeenvolgende regeringen de steun van 'rechts' nodig hebben, wordt hiertegen niet opgetreden. M.i. ten onrechte. Israël heeft hiermee veel goodwill verspeeld. Toenemende druk van buitenaf en vanuit de 'Palestijnse' gebieden doet Israël besluiten, een 'vredesaccoord' te sluiten met de 'Palestijnen' met als uiteindelijk doel: een Arabische staat naast Israël op het grondgebied ten westen van de Jordaan. Natuurlijk is dit streven tot mislukking gedoemd. Ten eerste wonen in die staat talloze Joden in legale steden en dorpen. Het is, gezien de 'Palestijnse' praktijk tot nu toe, niet waarschijnlijk dat die een normaal leven zullen kunnen leiden, of zelfs zullen kunnen overleven, zonder de permanente bescherming van het Israëlische leger. Ten tweede zal de Islam Israël nooit accepteren. Ja, tijdelijk, als een tactische zet, om wat meer speelruimte krijgen. In overeenstemming met Mohammeds gewoonte om plechtig gesloten verdragen te verbreken als hij zijn kans schoon zag om de partner met het zwaard op de knieën te krijgen. De zgn. 'intifada' in herfst 2000 en winter 2000/2001 geeft aan wat de beloften van Arafat waard zijn. Het is een goede zaak, dat de wereld zich langzaam van Arafat begint af te keren; het inzicht groeit dat je met een terroristenleider die tevens een aartsleugenaar is, geen serieuze zaken kunt doen. Wat dan het alternatief is, laat zich moeilijk definiëren. Israël gaat m.i. een heel moeilijke periode tegemoet. De stichting van de staat Israël heeft plaatsgevonden in de nasleep van WO II en temidden van het tumult van vijandige volken en machten. Niemand had toch kunnen verwachten dat de terugkeer van Israël naar zijn eigen land door de volken met open armen zou worden ontvangen. Israël is Gods middel om gerechtigheid - Zijn gerechtigheid - op deze aarde te brengen. We kunnen in de Bijbel lezen hoe onvoorstelbaar sterk de vijandschap is tegen de vestiging van Gods Koninkrijk hier op aarde. Satan weet beter dan veel christenen dat Israël in Gods plannen een sleutelrol vervult. Zie op deze website het hoofdstuk Toekomst etcetera. Heeft Israël, omdat het Gods volk is en een belofte heeft voor het land (nog steeds) nu een vrijbrief om aldaar te doen wat het zint? Nee, beslist niet. De Torah geeft heel wat aanwijzingen hoe te handelen met de vreemdeling (zelfde rechten als de geboren Israëliet). Alleen, de actuele vreemdelingen zien zichzelf niet als de onrechtmatige bezetters van Israëls historische land, maar als de rechtmatige eigenaars. Dat compliceert de zaak natuurlijk enorm. In de Bijbel lezen we ook hoe God afrekent met hen die Gods land onder elkaar verdelen.(Ezechiel 36:5 / Joël 3:2). De Islam ziet deze zaken precies omgekeerd: zij zijn eigenaars (Dar-al-Islam) van het land en Israël is de onrechtmatige bezetter. Eén ding is zeker: Gods plan met Israël gaat gewoon door, ondanks alle opschudding. De hele reeks gebeurtenissen rond de vestiging van de staat Israël zitten - als alle menselijk handelen - vol met menselijk falen en zonden. Maar door dat alles heen voert God zijn plan uit. Vaak word ik herinnerd aan wat Petrus zegt over de gerechtelijke moord op Jezus: "Volksgenoten, ik weet dat u uit onwetendheid hebt gehandeld, evenals uw leiders. Zo heeft God echter in vervulling doen gaan wat hij bij monde van alle profeten had aangekondigd: dat zijn messias zou lijden en sterven". (Handelingen 3:17-18). Of Paulus in 1 Korintiërs 2:8: "Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel hebben gekend, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd". Ook de volken begrijpen niets van de wijsheid van God met
betrekking tot Israël, ook al is die wijsheid beschikbaar in de Bijbel. Als we
naar de Balfour-declaratie kijken, dan is daarin veel onbegrijpelijks, maar God
heeft het kennelijk gebruikt om zijn volk terug in hun land te brengen. Als
christenen is het onze roeping om Israël te steunen en voor Israël te bidden:
om hun ommekeer tot hun Messias, om hun bewaring temidden van het kolkende
geweld. Daarbij behoeven we niet onze ogen te sluiten voor Israëls fouten en
zonden, maar aangezien we als westerse christenen heel wat boter op ons hoofd
hebben, is het misschien verstandig, om onze kritische opmerkingen niet te
overdrijven, en die te plaatsen met begrip voor de onmogelijke situatie waarin
de staat Israël verkeert.
Enkele websites: * Website van de Likoed-partij * Wikipedia over Hezbollah (de eigen website is vaak uit de lucht en slecht georganiseerd) Vooral de 'Palestijnse' sites zijn soms maanden achter met informatie. De site van de Israëlische regering is ook nooit erg up-to-date. Alleen de IDF (het Israëlische leger) houdt zijn website goed bij. Als je op de Hamas website komt, wordt (nog steeds, 14-3-2001) (nu niet meer, 20-7-2006) het verhaal afgespeeld van Muhammad al-Dura, het 'Palestijnse' jongetje dat door Israëlische militairen zou zijn doodgeschoten, en waarvan de beelden over de hele wereld een enorme verontwaardiging richting Israël hebben opgeleverd. Maar de 'raw footage' van de Palestijnse cameraman Talal Abu Rahma, die voor het Franse TV-station Antenne-2 de scène filmde, als onderdeel van een Palestijns mediatheater, met directors, regisseurs etc. (ook wel 'Pallywood' genoemd), toont aan het eind een 'dode' Mohammad die knipoogt naar de cameraman en met zijn hand zwaait, alsof hij wil zeggen: "dat hebben we hem toch maar weer mooi gelapt, niet?" Daarmee geconfronteerd, zegt hij: "Ach ja, iedereen weet toch dat het zo gaat". Voor de Israëlische TV laat hij zijn ware gezicht zien. Het zwaargewonde jongetje dat indertijd aan de pers is getoond, was zeker niet Muhammad al-Dura. Zie de commentaren en het ruwe filmmateriaal van Talal Abu Rahma en anderen http://www.seconddraft.org/movies.php |